Zwangerschap en ouderschapsverlof
Zwangerschap, ouderschapsverlof en borstvoeding
52 Zwangerschap, bevalling en borstvoeding
De vrouwelijke werknemer heeft in verband met bevalling recht op bevallingsverlof gedurende 16 weken. Het verlof vangt aan op de eerste dag dat de bevalling blijkens een verklaring van een arts of verloskundige binnen 6 weken is teverwachten of, op verzoek van werknemer, vanaf een latere dag, echter niet later dan vanaf de eerste dag dat debevalling binnen 4 weken te verwachten is. De rechten op vakantiedagen blijven onverminderd van kracht.
Het bevallingsverlof eindigt 16 weken na de dag waarop de bevalling plaatsvindt, verminderd met het aantal dagen dat vóór de bevalling bevallingsverlof is genoten. Indien de bevalling eerder dan de vermoedelijke datum plaatsvindt, blijft het verlof eveneens 16 weken en worden de dagen dat het verlof niet tevoren is genoten na de bevalling alsnog bijgeteld.
Indien de bevalling later dan de vermoedelijke datum plaatsvindt, heeft werknemer alsnog recht op het oorspronkelijk geplande aantal weken verlof na de bevalling (minimaal 10 en maximaal 12 weken na de bevalling).
Werknemer zal in geval van ziekte verband houdende met zwangerschap of aansluitend op de bevalling, werkgever daarvan zo spoedig mogelijkop de hoogte stellen.
Gedurende het bevallingsverlof wordt het feitelijk salaris voor 100% doorbetaald.
Ten aanzien van de zwangere en/of borstvoeding gevende werknemer moet in de risico-inventarisatie en -evaluatieaandacht worden besteed aan de gevaren* van het werken met bepaalde schadelijke stoffen, procedés en arbeidsomstandigheden, zowel voor de moeder zelf als voor de kwaliteit en kwantiteit van de borstvoeding (Arbobesluit, artikel 1.41).
De werkgever van de zwangere en/of borstvoeding gevende werknemer (De wet verstaat onder een ‘werknemer die borstvoeding geeft’: de werknemer die haar kind borstvoeding geeft en haar werkgever hierover heeft ingelicht (Arbobesluit artikel 1.1). Dit betekent dat de werknemer die borstvoeding en werk wil combineren, pas recht heeft op de genoemde maatregelen als zij heeft gemeld dat ze borstvoeding geeft.) moet het werk, de werkplek, de werkmiddelenen de productie- en werkmethode zodanig inrichten of aanpassen dat het werken voor die werknemer geen gevaren met zich mee kan brengen voor haar veiligheid en gezondheid en geen terugslag kan veroorzaken op de zwangerschap of lactatie (Arbobesluit artikel 1.42).
De werkgever zorgt ervoor dat de zwangere en/of borstvoeding gevende werknemer doeltreffend wordt ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s als ook over de maatregelen die erop zijn gericht deze risico’s tebeperken of te voorkomen (Arbowet, artikel 8).
Als de in lid 7 genoemde aanpassingen niet mogelijk zijn, wordt door een tijdelijke aanpassing van het werk of van de werk- en rusttijden, door tijdelijk ander werk of, als voorgaande niet mogelijk blijkt, door uiteindelijke vrijstelling van het verrichten van (bepaald) werk, voorkomen dat gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de zwangere en/of borstvoeding gevende werknemer wordt veroorzaakt of een terugslag op de zwangerschap of lactatie (Arbobesluit artikel 1.42).
De werkgever is verplicht het werk zo in te richten dat rekening wordt gehouden met specifieke omstandigheden van vrouwen die borstvoeding geven. De werkgever voldoet aan deze verplichting binnen een redelijke termijn nadat eenverzoek hiertoe is gedaan (Arbeidstijdenwet 4:7).
De na bevalling teruggekeerde werknemer heeft tot 6 maanden na de bevalling het recht om het werk af te wisselen met extra pauzes, die samen tenminste 15 minuten en ten hoogste 1/8 deel van de voor haar geldende werktijd in beslag nemen.
Deze pauzes gelden als werktijd (Arbeidstijdenwet 4:7).
De na bevalling teruggekeerde werknemer heeft het recht werk te verrichten in een bestendig en regelmatig werk- en rusttijdenpatroon en kan niet verplicht worden tot overwerk, avond- of nachtdienst. Dit laatste tenzij de werkgever aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. De werknemer kan tot 6 maanden na de bevalling aanspraak maken op deze rechten (Arbeidstijdenwet artikel 4:7).
De werkgever is verplicht een werknemer, gedurende de eerste 9 maanden na de bevalling, de gelegenheid te geven om het werk te kunnen onderbreken voor het geven van borstvoeding of om moedermelk af te kolven. De werkgever stelt,waar nodig, een geschikte af te sluiten ruimte en een voorziening om afgekolfde moedermelk gekoeld te bewaren terbeschikking (Arbeidstijdenwet artikel 4:8, lid 1: Artikel 4:8 (voedingsrecht), lid 4 van de Arbeidstijdenwet stelt: “Elk beding waarbij ten nadele van de vrouwelijkewerknemer wordt afgeweken van dit artikel, is nietig.”)
De onderbrekingen voor het geven van borstvoeding of om moedermelk af te kolven mogen zo vaak en zo lang als nodig isplaatsvinden, maar in totaal tot een kwart van de werktijd. Het tijdstip en de duur van de onderbrekingen worden vastgesteld na overleg met de werkgever (Arbeidstijdenwet artikel 4:8, lid 2).
De duur van de onderbrekingen voor het geven van borstvoeding of om moedermelk af te kolven gelden als arbeidstijd waarover de werknemer haar aanspraak op loon behoudt (Arbeidstijdenwet artikel 4:8, lid 3).
53 Ouderschapsverlof
Werknemer heeft recht op ouderschapsverlof zonder behoud van salaris, voor elk eigen kind of elk kind dat werknemerduurzaam verzorgt, tot het kind de leeftijd van 8 jaar bereikt. De in de onderneming geldende regeling inzake pensioenopbouw blijft gegarandeerd, in de zin dat opgenomen ouderschapsverlof geen nadelige gevolgen heeft voor depensioenopbouw. Tenzij de huidige pensioenregeling dit niet toestaat.
Tijdens het eerste levensjaar van het kind, heeft de werknemer recht op uitkering over een periode van ten hoogste negenmaal de arbeidsduur per week waarin die het in lid 1 genoemd verlof geniet. De uitkering is gelijk aan 70% van het dagloon van de werknemer, maar nooit meer dan 70% van het maximale dagloon als genoemd in art. 17 Wet financiering sociale verzekeringen. De werknemer vraagt de uitkering – via de werkgever – aan bij het UWV. Het UWV stelt het recht op, de hoogte en de maximale duur van de uitkering vast.
De omvang van het ouderschapsverlof bedraagt per kind maximaal 26 maal de gemiddeld overeengekomen wekelijkse arbeidsduur van werknemer.
Het verlof dient te worden opgenomen in de vorm van deeltijdverlof gedurende ten hoogste de helft van de arbeidsduurper week voor een aaneengesloten periode van 12 maanden. In afwijking hiervan kan werknemer verzoeken om verlofvoor een langere periode dan 12 maanden dan wel om meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week. Werkgever stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
Werknemer dient een voornemen om verlof op te nemen minimaal 2 maanden van tevoren schriftelijk aan werkgever te melden onder opgave van het aantal uren verlof per week en de spreiding daarvan over de week.
Werkgever is gerechtigd, na overleg met werknemer, op grond van zwaarwichtige redenen de spreiding van de uren over de week te wijzigen tot 4 weken voordat het verlof ingaat.
*Onder ‘gevaren’ bij zwangerschap verstaat de Arbowet:
psychische belasting;
blootstelling aan chemische stoffen (stoffen die schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de moeder of de zuigeling);
micro-organismen zoals bacteriën, gisten, schimmels en virussen;
lichamelijke belasting (tillen, bukken, hurken, knielen, trillingen, schokken);
omgevingsfactoren (klimaat, geluid, ioniserende straling, decompressie).
Bij borstvoeding gaat het met name om het risico van chemische stoffen en psychische belasting; andere gevaren hebben vooral betrekking op werknemers tijdens de zwangerschap.
Vorig hoofdstuk
Volgend hoofdstuk